mei 15, 2024

Circulaire textielinnovatie is geen keuze voor één ‘perfect’ materiaal, maar een strategische balans van technische compromissen.

  • Gemengde materialen (blends) zijn een nachtmerrie voor hoogwaardige recycling en ondermijnen circulariteit vanaf de start.
  • De ‘groene’ herkomst van een vezel garandeert geen lage impact; technische prestaties en levensduur zijn bepalender.
  • Ontwerp voor demontage (‘Design for Disassembly’) is een veel krachtigere hefboom voor circulariteit dan de materiaalkeuze zelf.

Aanbeveling: Focus op mono-materialen, meetbare eigenschappen en de volledige levenscyclus, niet enkel op marketinglabels.

Als productontwikkelaar in de mode-industrie wordt u dagelijks geconfronteerd met een duizelingwekkend aanbod aan ‘duurzame’ materialen. Een jurk van algenvezels, een T-shirt van biologisch katoen, een broek met een composteerbaarheidslabel; de beloften zijn groen en verleidelijk. Maar wat betekenen deze claims technisch gezien voor uw product, uw productieproces en de uiteindelijke circulariteit van het kledingstuk? De verleiding is groot om te kiezen voor materialen met een positief marketingverhaal, zoals biologisch of gerecycled, en aan te nemen dat de duurzaamheidsopdracht daarmee is volbracht.

Deze aanpak, hoewel goed bedoeld, is vaak te simplistisch en kan leiden tot onbedoelde negatieve gevolgen verderop in de keten. De realiteit van textielcirculariteit is technisch en complex. Het is een wereld van nuance en strategische afwegingen. Maar wat als de sleutel tot echte circulariteit niet ligt in het vinden van één magisch, ‘perfect’ materiaal, maar in het beheersen van de technische compromissen gedurende de gehele levenscyclus? Wat als het ontwerp van een kledingstuk, specifiek het vermogen om het aan het einde van zijn leven weer uit elkaar te halen, een veel grotere impact heeft dan de oorsprong van de vezel zelf?

Dit artikel doorbreekt de marketing-hype en biedt u als textielingenieur een realistisch, technisch perspectief. We duiken in de concrete uitdagingen: van de onmogelijkheid om blends te recyclen tot de verborgen nadelen van biologisch katoen. We analyseren de ware potentie van nieuwe eco-vezels, de impact van de Nederlandse UPV-wetgeving op uw ontwerpkeuzes en de cruciale principes van ‘Design for Disassembly’. Het doel is niet om u een simpel ‘goed’ of ‘fout’ antwoord te geven, maar om u te wapenen met de kennis om gefundeerde, technisch verantwoorde keuzes te maken die echte circulariteit bevorderen.

Om deze complexe materie helder in kaart te brengen, verkennen we in dit artikel de cruciale technische aspecten en strategische keuzes die bepalen of een textielinnovatie daadwerkelijk circulair is of slechts greenwashing. Hieronder vindt u een overzicht van de onderwerpen die we zullen behandelen.

Waarom uw katoen-polyester mix shirt bijna onmogelijk te recyclen is

Het lijkt een ideale combinatie: het comfort van katoen en de duurzaamheid van polyester. Decennialang zijn katoen-polyester blends de ruggengraat van de kledingindustrie geweest. Vanuit een circulair perspectief vormen deze gemengde materialen echter een van de grootste obstakels. De technische uitdaging ligt in het scheiden van de vezels aan het einde van de levensduur. Mechanische recyclingprocessen kunnen de innig met elkaar verweven vezels niet efficiënt uit elkaar halen. Chemische recycling is een optie, maar de processen zijn vaak complex, energie-intensief en resulteren in kwaliteitsverlies van de teruggewonnen materialen.

De harde realiteit is dat het overgrote deel van deze kleding niet hoogwaardig wordt gerecycled. Een schokkend cijfer onderstreept dit: volgens het Circulair Textiel Lab in Twente wordt slechts 1% van het Nederlandse textielafval daadwerkelijk vezel-tot-vezel gerecycled tot nieuwe kleding. De rest wordt gedowncycled tot laagwaardige producten zoals isolatiemateriaal, poetslappen of wordt verbrand. Tricorp, een grote leverancier van bedrijfskleding die vaak uit polyester-katoen blends bestaat, erkent dit probleem openlijk. Hun ervaring toont aan dat veel van hun afgedankte kleding momenteel eindigt als isolatie in de bouw – een duidelijk voorbeeld van downcycling in plaats van ware circulariteit.

Dit wordt krachtig samengevat door Monique Peeters, CSR-manager bij Tricorp, in een interview met Lyreco Nederland:

Technisch is hergebruik of recycling van bedrijfskleding nog niet altijd mogelijk.

– Monique Peeters, CSR-manager Tricorp, Interview Lyreco Nederland over circulaire textielindustrie

Voor een productontwikkelaar is de les duidelijk: de keuze voor een blend is een beslissing met verstrekkende gevolgen voor de end-of-life fase. Het promoten van een product als ‘circulair’ terwijl het is gemaakt van een moeilijk te recyclen blend, is op zijn best misleidend. De voorkeur voor mono-materialen is vanuit technisch recyclingoogpunt vrijwel altijd de superieure keuze.

Is een jurk van algenvezels echt sterker dan nylon?

Nieuwe, innovatieve vezels afkomstig van bronnen zoals algen, brandnetels of sinaasappelschillen spreken tot de verbeelding en worden vaak gepresenteerd als de ultieme duurzame oplossing. Ze beloven een verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en landbouwgrond. Maar als productontwikkelaar moet u verder kijken dan het marketingverhaal en de technische prestaties kritisch evalueren. De vraag is niet alleen óf een vezel uit algen kan worden gemaakt, maar ook of deze kan concurreren met de gevestigde materialen op het gebied van sterkte, duurzaamheid, kleurvastheid en comfort.

Het korte antwoord op de vraag of algenvezels sterker zijn dan nylon is: op dit moment over het algemeen niet. Nylon is een synthetisch polymeer dat decennialang is geoptimaliseerd voor extreme treksterkte en slijtvastheid. Bio-circulaire vezels zijn nog volop in ontwikkeling. Zoals de onderstaande microscopische vergelijking suggereert, is de structuur van natuurlijke vezels vaak minder uniform dan die van synthetische polymeren, wat invloed heeft op hun mechanische eigenschappen.

Microscopische vergelijking van algenvezel en nylon structuur

Dit betekent niet dat deze innovaties geen toekomst hebben. Integendeel, de focus op nieuwe materialen is cruciaal. Initiatieven zoals Nederlandse Fibershed, die zich richten op het ontwikkelen van lokale vezelketens, onderzoeken actief het potentieel van vier innovatieve vezelgroepen, waaronder deze noviteit vezels. Wageningen University & Research werkt samen met pioniers aan vezels van bijvoorbeeld brandnetels. Deze projecten tonen aan dat er vooruitgang wordt geboekt, maar benadrukken ook dat onafhankelijke validatie van eigenschappen zoals treksterkte door instituten als TNO essentieel is voordat grootschalige toepassing verantwoord is. Het is een kwestie van materiaal-realisme: omarm de innovatie, maar baseer uw productkeuzes op geverifieerde technische data, niet alleen op de groene herkomst.

Waarom biologisch katoen soms meer water verbruikt dan u denkt

Biologisch katoen heeft een ijzersterk imago: geen synthetische pesticiden, geen genetische modificatie en beter voor de bodem. Voor veel merken is de overstap naar biologisch katoen de eerste en belangrijkste stap in hun duurzaamheidsstrategie. Vanuit een technisch en levenscyclusperspectief is het beeld echter genuanceerder. De claim dat biologisch katoen ‘beter’ is, hangt sterk af van welke impactcategorie men bekijkt en, cruciaal, van de geografische locatie van de teelt.

Een van de grootste misvattingen betreft het waterverbruik. Hoewel biologische landbouw vaak de bodemgezondheid verbetert, wat kan leiden tot een betere waterretentie, hebben biologische katoenplanten doorgaans een 20-30% lagere opbrengst per hectare dan conventionele katoen. Dit betekent dat er meer land – en potentieel meer water – nodig is om dezelfde hoeveelheid katoen te produceren. In waterarme regio’s kan de teelt van biologisch katoen dus paradoxaal genoeg leiden tot een hogere totale watervoetafdruk per kilogram vezel. Bovendien, terwijl de CO2-uitstoot significant lager kan zijn (tot 46% volgens data van Tricorp), is het geen vaststaand feit. Het hangt af van de specifieke landbouwpraktijken.

De onderstaande vergelijking, gebaseerd op een analyse van Lyreco Nederland, illustreert deze technische compromissen. Het laat zien dat de keuze niet zwart-wit is.

Vergelijking conventioneel versus biologisch katoen impact
Aspect Conventioneel Katoen Biologisch Katoen
Waterverbruik Hoog (2700L per t-shirt) Variabel (afhankelijk locatie)
Chemicaliëngebruik Intensief pesticiden Geen synthetische pesticiden
Opbrengst per hectare Hoger 20-30% lager
CO2 uitstoot Baseline Tot 46% lager (Tricorp data)

Als productontwikkelaar betekent dit dat u dieper moet graven. In plaats van blind te varen op het ‘biologisch’ label, is het cruciaal om informatie op te vragen over de herkomst, de waterbeheerpraktijken in die specifieke regio en de opbrengst per hectare. Certificeringen zoals GOTS (Global Organic Textile Standard) bieden weliswaar garanties op het gebied van chemicaliën en sociale omstandigheden, maar ze zeggen niet alles over de totale ecologische voetafdruk.

De wasfout die uw dure lyocell-kledingstuk in één keer verpest

De circulariteit van een kledingstuk wordt niet alleen bepaald door het materiaal en het ontwerp, maar ook door de gebruiksfase en de zorg die de consument eraan besteedt. Materialen zoals Lyocell (vaak bekend onder de merknaam TENCEL™) zijn populair vanwege hun duurzame productieproces (een gesloten kringloop voor chemicaliën) en hun zachte, luxueuze gevoel. Deze vezels hebben echter specifieke eigenschappen die ze kwetsbaar maken voor verkeerde behandeling. Lyocell-vezels zijn in natte toestand aanzienlijk zwakker dan in droge toestand. Een te hete wasbeurt, een agressief centrifugeerprogramma of het gebruik van verkeerde wasmiddelen kan de vezelstructuur onherstelbaar beschadigen, met als gevolg krimp, vervorming en een ‘vaal’ uiterlijk.

Dit illustreert een kritiek punt in het levenscyclus-denken: een product ontwerpen met een duurzaam materiaal is nutteloos als het de normale gebruikscyclus niet overleeft. De levensduur van een kledingstuk is een van de belangrijkste factoren voor de totale milieu-impact. Een kledingstuk dat na enkele wasbeurten wordt afgedankt, is per definitie niet duurzaam, ongeacht hoe ‘groen’ het materiaal was. Het is schokkend dat, ondanks wetgeving zoals de UPV, nog steeds ongeveer 50% van het afgedankte textiel in Nederland in het restafval belandt, wat deels te wijten is aan voortijdige slijtage.

Als productontwikkelaar heeft u hier een verantwoordelijkheid. Het verstrekken van duidelijke, specifieke en correcte onderhoudsinstructies is geen bijzaak, maar een essentieel onderdeel van circulair productontwerp. Dit wordt ook steeds belangrijker onder de aankomende EU-regelgeving voor het Digitale Productpaspoort (DPP), dat gedetailleerde zorginstructies zal vereisen.

Actieplan: Onderhoudsinstructies voor delicate eco-vezels

  1. Temperatuur en wasmiddel: Specificeer wassen op maximaal 30°C met een mild, pH-neutraal wasmiddel.
  2. Hulpmiddelen vermijden: Raad het gebruik van wasverzachter en bleekmiddel expliciet af, omdat deze de vezelstructuur kunnen aantasten.
  3. Mechanische stress minimaliseren: Adviseer om niet te wringen, maar het water voorzichtig uit het kledingstuk te drukken in een handdoek.
  4. Correct drogen: Instrueer om het kledingstuk liggend te drogen, uit direct zonlicht om verkleuring en vervorming te voorkomen.
  5. Strijken met zorg: Geef aan dat strijken op een lage temperatuur moet gebeuren, idealiter met een beschermende doek ertussen.

Door consumenten proactief te informeren over de juiste zorg, verlengt u niet alleen de levensduur van uw product, maar versterkt u ook de daadwerkelijke circulariteit ervan in de praktijk.

Hoe bereidt u uw merk voor op de aanstaande Uitgebreide Producenten Verantwoordelijkheid (UPV)?

Sinds 1 juli 2023 is de Uitgebreide Producenten Verantwoordelijkheid (UPV) voor textiel een feit in Nederland. Dit is geen vrijblijvende aanbeveling meer, maar een wettelijke verplichting die de verantwoordelijkheid voor de afvalfase van kleding legt bij de producenten en importeurs – oftewel, bij uw merk. De wetgeving stelt ambitieuze en oplopende doelen voor hergebruik en recycling. Dit dwingt u als productontwikkelaar om de end-of-life fase niet langer als een externe factor te zien, maar als een integraal onderdeel van uw ontwerp- en businessmodel.

De doelstellingen zijn niet mals. Het begint met 50% van het op de markt gebrachte gewicht dat in 2025 voorbereid moet zijn voor hergebruik of recycling, en dit loopt op. Het uiteindelijke doel is een recyclingpercentage van 75% in 2030, zoals vastgelegd in het Besluit UPV Textiel van Rijkswaterstaat. Om aan deze verplichtingen te voldoen, moeten merken een robuust systeem opzetten voor inzameling, sortering en verwerking van afgedankte kleding. Voor veel individuele merken is dit een enorme operationele en financiële uitdaging.

Gelukkig hoeft u het wiel niet zelf uit te vinden. Collectieve systemen bieden een efficiënte oplossing. Een centraal voorbeeld hiervan is de Stichting UPV Textiel, die een groot aantal producenten ondersteunt bij het voldoen aan hun verplichtingen.

Praktijkvoorbeeld: De collectieve aanpak van Stichting UPV Textiel

De Stichting UPV Textiel vertegenwoordigt al meer dan 1100 Nederlandse producenten en importeurs en biedt een collectieve oplossing voor UPV-naleving. In plaats van dat elk merk een eigen inzamelingssysteem moet opzetten, organiseert de stichting dit op grote schaal via bestaande gemeentelijke infrastructuur. Cruciaal voor productontwikkelaars is dat de stichting actief investeert in innovatie. Ze faciliteren vezel-tot-vezel recycling pilots en organiseren ‘POCR (post-consumer recycled content) innovatie meet & greets’. Deze evenementen brengen merken direct in contact met recyclers en innovators, wat essentiële kennisdeling bevordert over welke ontwerpen en materialen daadwerkelijk recyclebaar zijn in de praktijk.

Voorbereiden op de UPV betekent dus meer dan alleen een bijdrage betalen. Het vraagt om een strategische heroverweging van uw materiaalgebruik en productontwerp. Aansluiten bij een collectief als Stichting UPV Textiel kan u niet alleen helpen met compliance, maar biedt ook toegang tot een netwerk en kennis die cruciaal zijn voor het ontwerpen van de circulaire producten van de toekomst.

Recycling of refurbishment: wat levert het meeste op voor elektronica-producten?

Binnen de circulaire economie bestaat een hiërarchie van waardebehoud, vaak gevisualiseerd in modellen zoals de ‘Value Hill’ van Circle Economy. Deze modellen laten zien dat strategieën die een product zo dicht mogelijk bij zijn oorspronkelijke staat houden, de meeste economische en ecologische waarde behouden. Concreet betekent dit dat onderhoud, reparatie en refurbishment (opknappen) superieur zijn aan recycling. Bij recycling wordt een product vernietigd om de grondstoffen terug te winnen, wat altijd gepaard gaat met energieverbruik en kwaliteitsverlies. Bij refurbishment wordt het product zelf in de kringloop gehouden, waardoor de toegevoegde waarde van ontwerp, productie en marketing behouden blijft.

Hoewel de titel naar elektronica verwijst, is dit principe bij uitstek van toepassing op textiel. De analyse van het Value Hill-model toont aan dat refurbishment van textiel drie tot vijf keer meer economische waarde kan behouden dan recycling. Dit is geen aanname, maar een strategie die in de Nederlandse praktijk succesvol wordt toegepast. Het bekendste voorbeeld is MUD Jeans, een pionier op het gebied van circulaire denim.

Het ‘Lease A Jeans’-model van MUD Jeans is een perfecte illustratie van hoogwaardig waardebehoud. Klanten leasen een spijkerbroek in plaats van deze te kopen. Na de gebruiksperiode wordt de broek teruggestuurd. MUD Jeans repareert de broek vervolgens en verhuurt deze opnieuw, of, als reparatie niet meer mogelijk is, recyclet de vezels tot nieuwe denim. Hun ‘Road to 100’-project streeft zelfs naar broeken gemaakt van 100% post-consumer gerecycled katoen. Dit businessmodel verandert de rol van de productontwikkelaar. In plaats van te ontwerpen voor een enkele verkoop, ontwerpt u voor duurzaamheid, repareerbaarheid en een lange levensduur, omdat het product eigendom van het bedrijf blijft en de restwaarde direct bijdraagt aan de winstgevendheid.

Deze verschuiving van recycling naar hergebruik en refurbishment is de kern van een winstgevende circulaire strategie. Het dwingt ontwerpers om na te denken over de robuustheid van stiksels, de kwaliteit van ritsen en knopen en de mogelijkheid om onderdelen eenvoudig te vervangen. Dit is waar technisch ontwerp en een circulair businessmodel samenkomen.

De ontwerpfout waardoor ritsen en knopen compostering onmogelijk maken

Een kledingstuk is meer dan alleen textiel; het is een assemblage van diverse componenten zoals ritsen, knopen, labels, rivets en garen. In de context van recycling vormen deze ’trimmings’ vaak de grootste barrière. Een T-shirt van 100% biologisch katoen is in theorie perfect recyclebaar. Maar als er een polyester label in is genaaid met polyester garen, wordt het een gemengd product dat het recyclingproces vervuilt of complexe en kostbare voorbehandeling vereist. Hetzelfde geldt voor metalen ritsen op een katoenen broek of plastic knopen op een linnen blouse. Deze niet-textiele of niet-compatibele onderdelen maken hoogwaardige mechanische en chemische recycling onmogelijk.

De oplossing ligt in een ontwerpprincipe dat bekend staat als ‘Design for Disassembly’ (ontwerpen voor demontage). Dit is wellicht de meest impactvolle strategie die u als productontwikkelaar kunt toepassen. Het idee is simpel: ontwerp het kledingstuk zo dat het aan het einde van zijn levensduur gemakkelijk en snel uit elkaar gehaald kan worden in zuivere materiaalstromen. Dit vergt een radicale heroverweging van hoe kleding wordt geconstrueerd. Het nieuwe Circulair Textiel Lab in Twente demonstreert de potentie hiervan door te laten zien hoe ze bijna 100% van de onderdelen van een spijkerbroek kunnen terugwinnen en recyclen, mits deze correct is ontworpen.

Ontwerp voor demontage met scheidbare kledingonderdelen

De implementatie van ‘Design for Disassembly’ vereist innovatieve keuzes in materialen en constructietechnieken. Het gaat om het selecteren van componenten die ofwel van hetzelfde materiaal zijn als de hoofd stof, ofwel eenvoudig te verwijderen zijn zonder het textiel te beschadigen.

Checklist: Principes van ‘Design for Disassembly’ voor textielontwerpers

  1. Kies voor mono-materialen: Gebruik waar mogelijk katoenen garen op katoenen stof en polyester garen op polyester stof.
  2. Selecteer afneembare hardware: Geef de voorkeur aan knopen met een schroefbevestiging of drukknopen die losgemaakt kunnen worden in plaats van vastgenaaide knopen.
  3. Experimenteer met slim garen: Overweeg het gebruik van oplosbaar garen op specifieke naden, dat zijn sterkte verliest bij een bepaalde temperatuur en zo demontage vergemakkelijkt.
  4. Vermijd permanente labels: Gebruik geweven labels die met een contrasterende kleur garen zijn vastgezet voor eenvoudige identificatie en verwijdering, in plaats van gelamineerde of bedrukte labels.
  5. Ontwerp modulair: Creëer kledingstukken met vervangbare onderdelen, zoals kragen of manchetten, die de levensduur van het totale product kunnen verlengen.

Door deze principes toe te passen, verschuift u de focus van een lineair ‘maak-gebruik-gooi weg’-model naar een echt circulair systeem, waarbij afval wordt geëlimineerd door slim ontwerp aan de voorkant.

Kernpunten om te onthouden

  • Materiaalmenging is de grootste vijand van hoogwaardige recycling; mono-materialen zijn technisch superieur voor circulariteit.
  • Echte duurzaamheid wordt bepaald door technische prestaties en levensduur, niet enkel door de ‘groene’ herkomst van een vezel.
  • Circulariteit begint op de tekentafel: ‘Design for Disassembly’ is een crucialere hefboom dan de materiaalkeuze zelf.

Mag uw composteerbare t-shirt eigenlijk wel in de Nederlandse GFT-bak?

Het label ‘composteerbaar’ of ‘biologisch afbreekbaar’ op een kledingstuk klinkt als de ultieme circulaire oplossing: na gebruik keert het product gewoon terug naar de aarde. In de context van de Nederlandse afvalverwerkingsinfrastructuur is deze belofte echter een klassiek voorbeeld van een marketingclaim die botst met de technische realiteit. De intuïtieve gedachte van een consument zou zijn om een composteerbaar T-shirt in de GFT-bak (Groente-, Fruit- en Tuinafval) te deponeren. Dit is echter absoluut de verkeerde keuze en leidt er juist toe dat het materiaal niet correct wordt verwerkt.

Het probleem ligt niet bij het materiaal zelf, maar bij het verwerkingssysteem. Nederlandse GFT-composteerinstallaties zijn geoptimaliseerd voor een snelle verwerking van organisch keuken- en tuinafval. De doorlooptijd van dit proces is doorgaans slechts 2 tot 4 weken. Hoewel een katoenen T-shirt uiteindelijk zal composteren, duurt dit proces veel langer. Belangrijker nog is dat de geautomatiseerde sorteerlijnen aan het begin van het proces textiel niet herkennen als GFT. Sensoren identificeren het stuk stof als een ‘plastic-lookalike’ of andere vorm van vervuiling. Gevolg: het composteerbare T-shirt wordt mechanisch uit de GFT-stroom gefilterd en naar de verbrandingsoven gestuurd. De composteerbaarheid heeft dus geen enkele meerwaarde in dit systeem.

Waar moet het dan wel naartoe? Het antwoord is verrassend: in de textielbak. Ook composteerbaar textiel, mits gemaakt van een zuivere vezel zoals 100% katoen, kan nog steeds waardevol zijn voor mechanische recycling. De vezels kunnen worden verwerkt tot nieuw garen of als grondstof dienen voor andere producten. Door het in de GFT-bak te gooien, gaat deze potentie voor hoogwaardiger hergebruik volledig verloren.

Voor u als productontwikkelaar is de les hier tweeledig. Ten eerste, het gebruik van een ‘composteerbaar’ label op kleding die in Nederland op de markt wordt gebracht is misleidend, tenzij u een gespecialiseerd, gesloten retoursysteem heeft dat de compostering zelf beheert. Ten tweede, het bevestigt opnieuw het belang van het ontwerpen voor de *bestaande* recyclinginfrastructuur, niet voor een ideale, theoretische situatie. Focus op zuivere, recyclebare mono-materialen die compatibel zijn met de textielrecyclingketen levert in de praktijk veel meer milieuwinst op.

Uw rol als productontwikkelaar is cruciaal in de transitie naar een circulaire textielindustrie. Begin vandaag nog met het auditen van uw materiaalportfolio, niet op basis van marketingclaims, maar op basis van technische recycleerbaarheid, bewezen prestaties en een ontwerpstrategie gericht op demontage en waardebehoud. Alleen zo kunt u innovaties realiseren die niet alleen groen lijken, maar het ook daadwerkelijk zijn.

Veelgestelde vragen over composteerbaar textiel in Nederland

Kan composteerbaar textiel in de GFT-bak?

Nee, composteerbaar textiel hoort NIET in de GFT-bak. De verwerkingstijd van Nederlandse composteerinstallaties is te kort en sorteerlijnen filteren textiel eruit als vervuiling. Het belandt dan alsnog in de verbrandingsoven.

Waar moet composteerbaar textiel dan naartoe?

Composteerbaar textiel van een zuiver materiaal (zoals 100% katoen) hoort in de textielbak. Op die manier kunnen de vezels mogelijk nog mechanisch gerecycled worden, wat een hoger waardebehoud heeft dan composteren.

Waarom wordt composteerbaar textiel uit GFT gefilterd?

Automatische sorteersystemen bij afvalverwerkers zijn geprogrammeerd om vervuiling te detecteren. Een stuk stof wordt door sensoren vaak gezien als een ‘plastic-lookalike’ of een andere ongewenste stoorstof en wordt daarom mechanisch uit de GFT-stroom verwijderd voordat het composteringsproces begint.

Sanne Klaassen, Textieltechnoloog en Materialen-expert met een focus op circulaire mode en innovatieve stoffen. Ze heeft 10 jaar ervaring in supply chain management en productontwikkeling binnen de internationale mode-industrie.